I had a dream…

Dream_run_300Waar ik me normaal afgekloven en als een door een stoomwals platgereden puddinkje voel als ik wakker word, was dat vanochtend volkomen anders.
Geloof me, ik zag er nog steeds uit als de belichaming van een kater, een enge ziekte of stinkadem, maar het gevóel was anders. 

Waarom? Ik ben al een tijdje aan het hardlopen of wat daar voor door mag gaan, om uiteindelijk de Singelloop te lopen in oktober. Dat lijkt mij een hele prestatie, aangezien hardlopen naar mijn mening het állermoeilijkste is dat er bestaat. Op elke hoek voer ik een oplaaiende discussie met mezelf; stoppen of doorgaan? Vervolgens loop ik tóch door, een ontploft tomatenhoofd tot resultaat. Mijn benen veranderen langzaam in een hubbabubba-achtige substantie en gaan een eigen, ietwat zwabberend leven leiden. Als kroon op het werk kom ik áltijd een collega tegen en staat mijn voicemail vol met vrienden die mij hebben zien langswaggelen. Hoezee.

Vannacht droomde ik dat ik, in plaats van de voorgenomen ietwat laffe vijf kilometer, TIEN kilometer had gelopen tijdens de Singelloop. Mijn vrienden stonden mij toe te juichen bij de finish, mijn familie was trotser dan ooit en nouja, ik was uiteraard nog het meest trots van allemaal.

En, zelfdestructief als ik ben, vroeg ik me dus vervolgens de hele dag af of ik het überhaupt zou kúnnen, die tien kilometer. Het feit dat ik twee letterlijke rugoperaties achter de spreekwoordelijke rug heb, besloot ik te negeren.
Gewapend met drie kilo moed, een Ipod vol lekkere muziek en een profi aandoende hardloopgordel met kleine flesjes water erin begon ik aan mijn tocht. Na een uur en tien minuten precies liep ik over het plein dat binnenkort de finish van de Singelloop vormt. Een tijd van niks, een ontploft tomatenhoofd en een hooggespannen gluteus maximus mogen de pret niet drukken; ik heb het gehaald!

Op naar de halve marathon… of draaf ik nu écht door?

Op

Boodschap_huisvrouw Soms is het op. Ineens. niet voor mij hoor, ik race het leven door. Rugoperaties, het starten van een eigen bedrijfje, nee twéé eigen bedrijfjes… Geen probleem! Of toch?

Na een week stressen op mijn werk, het aannemen van drie (!) nieuwe opdrachten voor mijn eigen bedrijf, het schrijven van twee verhalen voor een literaire wedstrijd en het organiseren van een housefestival was het blijkbaar wel op. Opper dan op. Ik vond van niet, mijn lichaam vond van wel. En toen ik bibberend en brakend boven de toiletpot hing, vond ik het misschien ook een beetje.

Waarom gebeurt dit? Waarom kan ik niet kiezen voor één ding, en dat dan vervolgens héél goed doen? Ligt dat in mijn aard, in mijn naar ADHD neigende gedragspatroon of in het vrouw-zijn?
Het schijnt iets van onze generatie te zijn. Keuzestress is aan de orde van de dag; vroeger was, vooral voor vrouwen, duidelijk dat het enige recht het aanrecht was. Vervelend als je niet van aanrechten houdt, maar wel zo overzichtelijk.

Inmiddels is er een keuze. Nouja, niet één keuze, maar honderden. Duizenden. De keuzes lopen van vrijwillig uitkeringstrekken tot carrière maken en van het stichten van een gezin tot het veranderen van geslacht. Laatstgenoemde opties zijn zelf te combineren zonder grote problemen. Zou ik gebaat zijn bij minder keuzes? Waarschijnlijk niet. Dan zou ik per ongeluk honderd kinderen krijgen of drie aanrechten onder mijn beheer willen hebben. Of mijn ketting willen pimpen zodat het niet zo opvalt dat ik gebonden ben aan de keuken.

Zucht. Doe mij maar een portie keuzestress to go!

Wat als…

Viva_008Eén procent is niet veel. Gevoelsmatig wel, momenteel. Met één procent van de stemming verloor ik een wedstrijd, een ticket tot de perfecte bijbaan; professioneel bloggen. Maar helaas. Ik hoopte het wél, maar verwachtte het niet. Ik dacht dat Mamaroos zou gaan winnen, maar ook zíj won vreemd genoeg niet. De winnares verdient het hoor, daar niet van! Echter nu ik de overwinning heb geróken, is het te laat om er alsnog te komen. Wat mij rest zijn "wat-als gedachten".
Wat als ik niet op vakantie was tijdens het stemmen, had ik dan meer mensen kunnen bereiken, meer kunnen reageren, meer familieleden kunnen vragen te stemmen?
Het heeft geen zin.

Terug naar mijn oude "wat-als gedachten"; veilig, vertrouwd en ráár… 
Loop ik in de Blokker, dan denk ik: wat als ik nou met één beweging die hele plank met wijnglazen op de grond maai en daarna verder loop?
In een belangrijke vergadering vraag ik me af wat er zal gebeuren als ik keihard het Wilhelmus ga zingen, en als ik met een volkomen onschuldig doch irritant persoon spreek vraag ik me af hoe diegene zal kijken als ik een flinke pets op de wang uitdeel. Ik vraag me af wat er gebeurt als ik tijdens een bioscoopbezoek ineens loeihard ga krijsen en ik wil met kapotgekookte aardappels met jus gaan smijten als ik met oma in de eetzaal van het verzorgingstehuis ben. Al met al “wat-als” ik wat af dus. Het blijft altijd bij gedachten; ik ga nooit tot actie over.

Natuurlijk heb ik ook goede “wat-als gedachten”. Daar geef ik onmiddellijk gehoor aan. Mijn collega krijgt een bos bloemen omdat ze lief is, de mannen van de fietsenstalling trakteer ik op een ijsje en ik help oude vrouwtjes gráág bij het inladen van het mandje op hun scootmobiel bij de kassa van Ap (Heijn, red.).

Hier ligt dus mijn focus. Níet op mijmeren over hoe ik wel had kunnen winnen. Of niet. En waarom. En hoe. Ik ga een ijsje kopen. Om deze misschien, heel misschien, in iemands nek te deponeren.

Feminiks

Red20nails Er zit een brandgaatje in het groengeblokte tafelkleed. Ik wriemel er in met mijn vinger, maar als ik mijn afgebladderde nagellak zie stop ik mijn hand snel onder tafel. Zenuwachtig zoek ik naar iets nieuws om naar te staren of, liever nog, aan te plukken. Stomme stilte.

Stomme ík, dat staat voorop. Waarom heeft mijn feministische moeder mij "gezegend" met een flinke dosis gevoel voor rechtvaardigheid en gelijkheid der geslachten? Hoewel; ik pas het toe wanneer mij dat uitkomt.  Een man die een band voor je verwisselt vind ik véél beter dan modder op je nieuwe jurk, dus ik ben een feministe van niks.

Mijn vriendin en haar kersverse verloofde staren mij aan. Zij met een "doe-nou-niet-blik" , hij woedend, inclusief kloppende ader op de slaap.
‘Dat je nou anders denkt, als een feminíst (hij spreekt dit woord uit alsof zijn donzige snorretje gemarineerd is in een mengel van geitenkeutels en kattenpis), dat betekent nog níet dat ik een dictator ben omdat ík het niet tot mijn taken vind behoren om me met het huishouden te bemoeien!’

Ik kijk naar B. Ze laat haar vermoeide ogen rusten op hetzelfde gaatje in het tafelkleed waar ik net nog een uitvlucht zocht. Een topbaan, een huishouden én zo`n vreselijke vent is teveel, zelfs voor een supervrouw als B.; ze weet het zelf alleen nog niet.
En ik, de grootste flexibele moraalridder van onze generatie (lees: vegetariër met leren pumps) zou dat wel even rechtzetten. Mislukt, dat blijkt.

Voordat ik het weet maak ik het nóg erger.
‘Feminíst? Je weet niet eens hoe je dat schrijft, laat stáán wat het ínhoudt!’
Driewerf oeps.
‘Jawel, dat weet ik heel goed! Dat zijn van die wíjven (weer de geitenkeutelblik) met naaldhakken om ons te castreren, rode nagels om onze ogen mee uit te krabben en met een mening over álles, inclusief de zaken die ze niets aangaan!’

‘Iemand nog een toetje?’ Vriendin B., Miss vluchtgedrag, loopt met haar handen vol afwas en een bibberend lipje naar de keuken. Ik pak in een reflex de rest van de vaat, overweeg door de triomfantelijke blik van Mr. Donslip om het weer terug op tafel te zetten maar doe het toch niet (sorry mam!), en loop achter haar aan de keuken in.

‘Ja maar San, wat moet ik dan?’
Een traan glijdt langs haar wang. Ik veeg hem weg.  Zwarte mascara  plakt aan mijn roodgelakte, afgebladderde nagel.
We gun je zoiets nou? Niemand toch? En voorál je beste vriendin niet! Ik zoek zwijgend vijfhonderd redenen om mijn bemoeienis goed te praten, en dat lukt me gemakkelijk.   

Ik grabbel in mijn tas en duw mijn potje felrode nagellak in haar handen. Ik geef haar een kus, mompel ‘sorry van het toetje’ en ga naar huis.
De avond is niet meer te redden, B. wél. Hoop ik.

Vanochtend liet B. mij stralend haar lunchpakket zien, zorgvuldig voor haar samengesteld door, jawel, de Vreselijke Verloofde. Toen ze het terugstopte in haar tas, zag ik in een flits één roodgelakte pinknagel…
Mijn potje nagellak kreeg ik terug van B.; ik had het harder nodig dan zij, zei ze met een knipoog.
Ik beloof mezelf plechtig mijn roodgelakte nagels nóóit meer te verwaarlozen.

Snertdag met een grote S

Zepam Soms heb je een snertdag. Niet persé door iets, maar gewoon. Omdat het een snertdag ís. Lang in je bed liggen met dekens over je hoofd helpt niet, líters cola en kílo’s chocolade helpen niet… Herkenbaar?

Vandaag had ik er zo ééntje. Sta ik gezellig de boodschappen voor de hele week in m`n tas te laden, zijn allebei m`n pinpassen leeg. Hoe dat kan is me nog steeds een raadsel, maar ik vermoed dat het iets met de vakantie te maken heeft. Tijdens het koken laat ik spontaan alles aanbranden, ik heb al twee glazen kapot laten vallen en mijn lens scheurt terwijl deze in mijn oog zit… Ook dát blijkt dus te kunnen, deze wereld is weer een raadsel lichter.

Grommend en stampend loop ik door het huis met spullen te gooien. Dan kijk ik uit mijn raam de winkelstraat in. Ik zie een man die elke dag op zijn gitaar speelt zonder daar geld voor te krijgen. Die elke avond in het portiek slaapt vergezeld door flesjes bier en een dun dekentje. Die geen vrienden heeft, behalve een rafelig hondje. Ik schaam me diep.

Ik wordt er niet minder chagrijnig van, van het besef dat ik een aansteller eersteklas ben, maar wél wat wijzer. Denk ik.

Zand

Zand Langzaam loop ik het stenen trapje af. Stapje voor stapje kom ik dichter bij de foto uit de catalogus van het reisbureau met daarop een blauwe zee, palmbomen en zand, véél zand. Wit zand.
Deze bewuste foto deed mij vergeten dat ik niet van stranden hou door de drukte, de jankende kinderen, de veel te strak getrainde blondines en de net iets te bruine anabolen-slikkers en boven alles door het zánd. Ik ben een gewillig marketing-slachtoffer. Met het zien van deze foto droomde ik weg, waande ik mij op een prachtig verkoelend, rustgevend en stil hagelwit strand. Ik maakte het mezelf maar al te graag wijs; ik verdíen deze vakantie en dit hagelwitte strand zou ál mijn problemen oplossen.

Op het moment dat het bloedhete witte zand mijn professioneel gepedicuurde voetzool schroeit ben ik terug in de werkelijkheid. Ik vloek luidruchtig en ontvang direct een “moet dat nou-blik” van een blijkbaar Nederlandse moeder die de witte billen van haar kleine dochtertje dik insmeert met plakkerige zonnebrand. Het kind valt, uiteraard, direct met de zojuist ingesmeerde billen in het bloedhete witte zand dat zojuist mijn scheldkannonade veroorzaakte. Áls het kind al enige vloeken en het genot ervan kende, had het zeker wat onaardige woorden uitgekraamd. Dat is duidelijk niet het geval want het kind zet plan B in werking; Heel Hard Huilen.

Moedig loop ik door, gebruik makend van het feit dat de focus van de moeder op de zanderige verbrande billetjes van de peuter ligt in plaats van op mij en mijn zojuist geuite vloek. Mijn voetzolen protesteren hevig maar ik loop door naar een plek waar weinig kinderen liggen en veel slapende mensen.

Ik richt mijn blik richting de blauwe zee die, constateer ik nu, hevig “gefotosjopt” is voordat deze in mijn reiscatalogus geplaatst werd; slechts in het midden blijkt deze blauw te zijn. De eerste dertig meter is de kleur van het water modderig bruin.
Waardoor komt dit? Het zuivere water in het midden van de zee weerspiegelt de
blauwe lucht, maar het water bij het strand is vertroebeld doordat mensen er al het zánd al zwemmend doorheen roeren.

Uit het troebele, zanderige water komt een pafferige man gewaggeld. Hij doet mij denken aan mijn oude buurman, het type dat op elk feestje handtastelijk dronken is om vervolgens moppen te gaan vertellen van het kaliber ‘lopen twee zandkorrels in de woestijn vraagt er één mag ik in het midden lopen’.
Terwijl ik mijn flesje mineraalwater uit mijn tas haal en zorgvuldig opendraai hoor ik de zandkorrels tussen de dop en het flesje kraken. Mijn oma verzekerde mij dat zand de maag schuurt als ik op het strand weigerde mijn zanderige boterham met pindakaas te eten. Ik gok het er niet op. Ik tuit mijn lippen als een trompettist in de hoop zo veel mogelijk water binnen te krijgen en zo min mogelijk zand.
Terwijl ik het flesje krakend dicht schroef vervloek ik mijzelf. De zon zakt in de zee en het enige dat ik vandaag heb gedaan is inwendig mopperen, mokken zonder na te denken over mijn bevoorrechte positie om hier, chagrijnig en wel, te mogen liggen.

Tot overmaat van ramp ben ik vergeten mij in te smeren. Het witte zand weerkaatste het zonlicht regelrecht op mijn witte huid om te resulteren in een roodverbrand geheel.
Ineens besef ik het me; mijn luxe bevoorrechte leven glijdt als zánd door mijn handen.
Ik háát zand.

Kattig

Kattig Je hebt kattenmensen en hondenmensen, dat is een feit. Maar wat bepaalt nou in welke categorie je valt? Ligt dit aan het verwachtingspatroon van je ouders, aan je sympathie voor “de aard van het beestje” of aan de vele gelijkenissen die je met betreffend dier vertoont?

Ik ben een kattenmens, daar is geen twijfel aan. Waar hondenbezitters hun hond als trouw bestempelen vind ik de dieren irritant afhankelijk. Waar een hond volgens het baasje de kop “lief” op mijn schoot legt zie ik alleen de kwijldraden die het gevolg hiervan zijn. Ik kan nog uren doorgaan met dit soort voorbeelden. Daarentegen vind een vriendin van mij, een echt hondenmens, katten arrogant waar ík ze juist zelfstándig vind.

Toen deze vriendin voor twee weken op vakantie ging was ik iets te snel met het aanbieden om op haar hond te passen; blijkbaar had niemand het haar nog aangeboden. Het resultaat; ik liep hartje winter elke ochtend, middag en avond met hondlief aan de lijn door het park. Ik merkte vanaf dag één dat ik mij in een geheel andere wereld had begeven; de wereld van de hondenmensen.

De wereld van hondenmensen is anders dan de wereld van kattenmensen.
De wereld van hondenmensen bestaat uit een netwerk van sociale verplichtingen. Al Fluffy-uitlatend werd ik begroet door iedereen die ook met zo’n blaffend geval aan de lijn rondliep. In afwijkende weersomstandigheid werd aan het standaard ‘goedemorgen’ of ‘goedemiddag’ een zin van medeleven en lotgenootschap toegevoegd; ‘wat een regen he!’.

Als kattenmens mét ochtendhumeur werd het steeds moeilijker voor mij om mezelf in de regen, wind of sneeuw naar buiten te begeven om Fluffy zich van nummer één of twee te laten ontdoen. Maar elke ochtend deed ik het, uit liefde voor mijn vriendin. Elke ochtend trok ik mijn joggingpak aan, nam een slok Senseo en vertrok met Fluffy richting park, mij bewust van de sarcastische blik van mijn kat die ons nakeek tot wij om de hoek verdwenen waren.

Ik ben het eens met mijn kat. Ik vind het al vreselijk genoeg om verplicht te zijn met een hijgend monstertje drie keer per dag een rondje om het park te lopen, maar de oppervlakkige en onechte manier van communiceren van hondenmensen is vréselijk.
Eigenlijk zou elke onervaren hondenoppasser een hondenmens-communicatiegids moeten krijgen. Naar mijn mening zouden de volgende zinnen in moeten staan;

- Blaf terug wanneer er naar je geblaft word
- Kwispel als je aandacht krijgt
- Loop vaak hetzelfde rondje

Want je weet: een baas gaat steeds meer op zijn hond lijken…

Over lilliputters en kleine mensen

Lilli Zojuist fietste ik tussen twee regenbuien door naar huis, zo snel als ik kon. Ik werd ingehaald door een klein voertuig met een bijpassend klein persoon erop. Vanuit mijn ooghoek zag ik dit en dacht; zo, dat kind kan hard fietsen! Maar toen ik, geïntrigeerd door het feit dat mijn driewekelijkse hardloopsessie niet genoeg spier blijkt te kweken om een fietsend kind bij te houden, nog eens goed keek, zag ik het. ‘Een lilliputter!’ schoot het door mijn hoofd. Helemaal fout. Meteen corrigeerde ik mezelf: een klein mens op een kleine fiets. Lilliputter betekent iets onaardigs, en dat was op deze meneer geenszins van toepassing. Hij kon in elk geval fietsen als een dolle, wat bij mij gelijk sympathie opwekt.

Ik dwong mezelf harder te gaan trappen want hallo, zijn benen waren de helft van de mijne qua lengte, en ontdekte wat raars. Iedereen maar dan ook écht íedereen keek met open mond naar deze hardfietsende meneer. Een jongetje liet zijn lolly in een verse modderplas vallen, een oud vrouwtje reed haar rollator tegen een hek en de postbode ging ervoor over zijn stuur hangen om eens extra goed te kijken. Gênanter dan dit krijg je het niet, geloof me.
Ik had zin om de mensen op onze route stuk voor stuk op hun domme, uitgezakte, naar Al Bundy refererende gezicht te timmeren. Ik vraag me af of deze meneer hier een leven vol van heeft.

Iets soortgelijks is mijn zusje gebeurd; zij was bezig om, samen met klasgenotes van de kunstacademie, een decor van een groot outdoor housefeest op kunstzinnige wijze in elkaar te schroeven. De mannen die het podium en hekwerk moesten opbouwen, waren zo geïntrigeerd door deze dames en hun lichaam, dat ze met hun steekwagens tegen elkaar opreden en zelfs het zojuist in elkaar geschroefde decor kapot te rijden. Oplossing; hekken om de dames heen.
Groot verschil: op een zieke manier is dit toch wel complimenteus tegenover mijn zuster en haar klasgenoten, voor de meneer op de fiets allerminst. Mijn zusje kan een soepjurk aantrekken om minder van haar lichaam te laten zien, deze meneer blíjft dan nog een bovengemiddeld klein iemand met wijde kleren aan waar mensen naar zullen staren.

In onze maatschappij betekent klein “lager dan de rest” en laag betekent binnen de meeste contexten “minder”. Ik vind “klein mens” daarom geen goede benaming voor de meneer op de fiets. Ik vind het een goede benaming voor alle starende mafketels langs de weg, voor de mannen op de steekwagens op het housefeest en voor nog véél meer mensen… Maar niet voor hem.
HELD lijkt me een betere. En niet alleen omdat hij me fluitend inhaalt!

Gespieste Crocs en ander damesleed

Crocs ‘Au!’
‘Wat is er? Gaat het?’
‘Sorry, maar wil je even kijken wat die mevrouw aan haar voeten heeft? Ik durf niet meer!’
‘Ik weet niet wat het zijn, dichte slippers? Extreem lage kaplaarzen met ventilatiegaten?’

Toen ik ze voor het eerst zag dacht ik nog ‘wat een gezellige tuinklompen, handig voor mams’. Mijn moeder werkt namelijk veelvuldig in de tuin op oude leren klompen met een houten hak. Het model ken je vást. Toen mijn moeder laatst echter écht met fuchsiaroze Crocs aan kwam en verklaarde dat ‘ze ook best voor gewoon kunnen’ dacht ik dat ik een toeval kreeg. Echt waar, iedereen heeft recht op een eigen modegevoel, zélfs mijn moeder. Maar Crocs? Heel Nederland lijkt ervan vergeven! Zijn we ons zó gaan vervelen dat we nu onze neiging tot zelfdestructie botvieren op ons gevoel voor stijl?

Ik begrijp dat je Crocs als pantoffels draagt. Crocs voor op een stenenstrand in Zuid Frankrijk, ter vervanging van de retro-waterschoen, daar kan ik inkomen. Ik snap het als je Crocs in de campingdouche draagt zodat je niet in de huidschilfers en urine van je dikke buurman-uit-de-stacaravan-met-de-kanten-gordijnen hoeft te staan. Crocs voor tandartsassistenten, zusters en zwemleraren zijn te verantwoorden vanuit hygiënisch oogpunt. Ik begrijp dat kinderen Crocs willen dragen; je kan ze “opleuken” (wat is dat trouwens voor een vreselijk woord?) met allerhande bloemetjes, beestjes en letters. Maar Crocs onder een zorgvuldig gekozen outfit, daar begrijp ik NIKS van.

Mijn moeder heeft een “teken van boven” gekregen met betrekking tot haar overmatig Crocgebruik: moeders was in de tuin aan het werk en knipte een tak af om vervolgens met haar Croc op diezelfde vlijmscherp afgeknipte tak te gaan staan. Het resultaat? Véél bloed, een gespieste nog steeds in Croc gehulde voet en een bezoek aan de eerste hulp. Hechtingen en twee weken mank lopen onder begeleiding van een batterij pijnstillers waar een gemiddeld paard dágen van zou slapen.

Voor één maal vind ik het jammer dat we niet in Amerika wonen: ze had de fabrikant kunnen aanklagen en zo veel geld kunnen eisen dat de productie van dit afschuwelijk schoeisel voor eeuwig zou moeten worden stopgezet. En mocht dit nog niet genoeg zijn om een faillissement af te dwingen: er bestaat daar vást een wet die het aanzetten tot irritatie, agressie en misselijkheid bij de medemens ten strengste verbiedt.

De Afrikaanse trommelmeneer

Trommelmeneer Wind, regen, storm, hagel? Hij zit er. Niemand in de stad? Hij zit er. Kerstinkopen doen in een krioelende mensenmassa met je hoofd naar de grond en je humeur ver te zoeken? Hij zit er. De Afrikaanse meneer met de Afrikaanse trommels zit er, áltijd. Zijn rasta’s, elk jaar weer iets langer, wapperen vrolijk mee als hij zijn hoofd schudt op de maat van zijn muziek.

Met een deels tandeloze lach trommelt hij erop los, zwaaiend naar alle kindjes die langskomen. Standaard huppelen ze verder, meegetrokken door hun geïrriteerde vader of moeder. Hij lachte gewoon door. Hij is het gewend, vrees ik. Zijn gezang is altijd van ver te horen. Het klinkt als le-olé-oloeloeloe of mako-tako-toooooooooooooo. Ik vraag me vaak af wat hij zingt. Zou het wel een taal zijn? Of zingt hij puur wat er in zijn vrolijke ziel komt opborrelen?
Over die vrolijke ziel twijfel ik wel eens. Zijn gezicht zit vol met littekens en die tanden, die vallen er niet zomaar uit. Maar toch; hij is in zijn element, daar op de hoek van de straat.

Stiekem ben ik jaloers. Ik zou ook wel zómaar op straat willen gaan zitten, en doen wat er in me opkomt. Zeggen wat er in me opkomt. Zíngen wat er in me opkomt. Geloof me, daar wordt niemand gelukkiger van. Ik zou, mocht ik de zelfdestructieve neiging hebben om mijn onkunde te laten bevestigen door Henk-Jan Smits, zo iemand zijn die in de best-of-Idols-compilatie zou terugkomen. Best-of-mislukkelingen welteverstaan, tussen Herman en een compilatie van Shakira-toetakelende “zangeressen”. Doe ik dus niet. Of dat nou gebrek aan durf of teveel aan zelfkennis is, is me om het even.

Iedereen heeft een mening over de trommelmeneer. ‘Laat hem een échte baan zoeken’, ‘heeft die man niets beters te doen’, ‘wat een herrie’ en ‘mag dat zomaar zonder vergunning’.
Zure mensen. Wanneer ik de deur van mijn stadspaleisje uitstap, zo de zonnige straat op, hoor ik hem in de verte. Als ik mijn ogen sluit, waan ik me op een strand met lachende mensen. Ik maak een huppeltje terwijl ik naar het station loop. Eén huppeltje. Want anders is het misschien raar.